“Hè, toe, mogen wij in het reuzenrad?”

Het is het jaarlijks mei-uitje van moeder en jongste dochter.
De dochter mag kiezen waarheen. Familieziek als ze in die
periode van haar leven is kiest ze voor logeren bij haar tante
en haar ‘grote’ neef in Haren bij Groningen. Hoe oud is ze? Een
jaar of 6. En de ‘grote’ neef is al 11.
De Meikermis in Groningen, waaraan de moeder veel dierbare,
vooroorlogse herinneringen koestert, is in volle gang: die moet
bezocht. Vindt zij ook.
Maar de tijden zijn veranderd: wat in 1936 alleen maar
ontspannend was, is in 1971 totaal gemoderniseerd, sneller,
lawaaiiger, groter, mechanischer. En het reuzenrad, waar ze als
kind nooit in durfde , lijkt nòg hoger dan toen. Het torent hoog
boven de huizen uit. De schuitjes schommelen wat. Als er weer
kinderen moeten instappen, blijven de andere tussen hemel en
aarde zweven: wee degenen, die helemaal bovenin moeten
zitten wachten. De moeder griezelt. Ze moet er niet aan
denken de “kinderen” daar samen in te laten gaan..
Maar de puber geeft geen krimp. Doet stoer tegenover het
kleine nichtje. “Ach, tante Lies, ik houd haar wel vast, wees
maar niet bang”
Ach, gut, hij is zelf al 11 jaar…..

Dan wordt in de moeder de leeuwin wakker: die twee kleintjes
samen in zo’n bakkie de hoogte in? Dat nooit. Dan gaat ze nog
liever zèlf met hen de lucht in, haar armen beschermend om
het tweetal.
Moed van het moederdier.

(Meikermis: ©E.J. Hildebrand-Uitzinger)

Aernout als de “de grote neef”